Gürsoy Doğtaş - F-17
Voor de tentoonstelling Urning & Urningin. Language and Desire since 1864 vroeg gastcurator Philipp Gufler drie schrijvers om te reflecteren op het nalatenschap van Karl Heinrich Ulrichs: Simon(e) van Saarloos, Hendrik Folkerts en Gürsoy Doğtaş. Je kunt ze hier lezen, of in ons tentoonstellingszine Nesting Habbits.
- Gürsoy Doğtaş
F-17
…in de smalle cabine van de cruising ruimte in een erotiekshop, Mystery Hall in St. Pauli. Er is nauwelijks ruimte tussen het scherm en mijn stoel. Het voelt alsof ik zó het tafereel op de monitor binnen zou kunnen stappen. Op elk kanaal speelt een andere pornofilm. Links, in de muur, een gloryhole – groot genoeg dat ik zelfs vanuit mijn ooghoek kan zien wat er naast mij gebeurt. Op één scherm draait Men of Istanbul.
Scène: Orhan staat te douchen nadat hij zich op het hotelbed heeft afgetrokken. Warm water stroomt over zijn gezicht. Hij kijkt peinzend. De camera komt dichterbij. Hij draait zich weg. De volgende scène begint. Na Orhan volgen Ahmet, dan Erol – daarna Murat, Mustafa, Deniz, Erdal en Uğur. In tegenstelling tot andere pornofilms maakt Men of Istanbul me niet opgewonden; het maakt me stil. Ik denk dat de jonge mannen nauwelijks wisten waarmee ze instemden. Het voelt alsof ik deel uitmaak van hun uitbuiting.
‘Eindelijk, op wettige grond!’ roept generaal B. Stein wanneer hij de grens naar het Ottomaanse Rijk oversteekt. In het hoofdstuk Urnische liefde in Constantinopel (1865) van Karl Heinrich Ulrichs treedt hij op als een ‘grote bewonderaar van mannelijke schoonheid’. In Oostenrijk leefde de generaal onder constante dreiging; één beschuldiging van mannenliefde kon ervoor zorgen dat hij werd opgesloten. Hij sluit zich aan bij het Turkse leger. Generaal B. Stein wordt Ferhat Pasha. Voor een homoseksuele man (ook al bestond dat woord toen nog niet) betekende deze gedaanteverwisseling vrijheid.
Binnen Ulrichs’ twaalfdelige reeks Onderzoek naar het raadsel van de liefde tussen mannen (1864–1880) fungeert Urnische liefde in Constantinopel als een belangrijke casus die zijn hoofddoel ondersteunt: man-man-liefde presenteren als een natuurlijke variatie van menselijke seksualiteit, en haar bevrijden van pathologisering en criminalisering. Ulrichs onderbouwde zijn argumenten vaak met historische, literaire en interculturele voorbeelden. Urnische liefde in Constantinopel is opgezet als een korte etnografische beschouwing, waarin een reisverslag, correspondentie en morele reflecties samenkomen. Het hoofdstuk is een praktische, realistische illustratie van Ulrichs’ ideeën.
Naast Ferhat Pasha speelt ook Ahmet Bey een rol in Urnische liefde in Constantinopel. Bey is een Turkse generaal die ooit onder de naam Gustav von Fritsch door het leven ging, luitenant-kolonel in Hongarije. Voor Ulrichs is hij een betrouwbare bron in Constantinopel. In een brief uit november 1864 schrijft Ahmet Bey over man–man-liefde in de Ottomaanse hoofdstad. Voor een dioning, zegt Ulrichs, spreekt hij zonder vijandigheid over deze liefde. Bij Ulrichs duidt “dioning” op heteroseksuele liefde: het tegenbeeld van “urning”, dat Ulrichs gebruikte om homoseksuele liefde mee aan te duiden. Met deze tweedeling definieert Ulrichs twee vormen van liefde en creëert hij een gelijkwaardig, niet-moraliserend systeem: “dioning” en “urning” zijn twee even natuurlijke varianten van menselijke liefde.
Ahmet Bey beschrijft een samenleving waarin welgestelde effendi’s knappe jonge mannen als gezellen houden – soms meerdere tegelijk.1 Deze jonge lievelingetjes worden verzorgd, bevoorrecht en hebben invloed in de huishoudens van hun beschermheren. Velen van deze jonge mannen treden later in staatsdienst, sommigen trouwen met de dochters van hun weldoeners. Deze vorm van liefde tussen mensen van hetzelfde geslacht die uit Ahmet Bey’s brieven naar voren komt, is er geen tussen gelijken, maar één berust op ongelijkheid.
…op de dansvloer van Gay Oriental Nights.
Biz iki çılgın sevgiliyiz
Delicisine sevdalıyız
Öyle büyük ki bu sevgimiz
Biz ayrılamayız…
(Wij zijn twee waanzinnige geliefden,
dolverliefd.
Onze liefde is zo groot –
wij kunnen niet scheiden…)
(Zeki Müren, Biz ayrılamayız)
Gürsoy Doğtaş - Broken Dreams, 2025, collage.
Ik vraag Tufan of hij zich ook bij zijn ouders uit de kast is gekomen – althans, bij zijn moeder. Ik vertel hem dat hij, anders dan ik, kan kiezen of mensen hem als homo zien of niet. Omdat ik dat niet kan, maakten mijn Turkse vrienden (en niet alleen zij) het mij moeilijk. Té moeilijk voor een onzekere puber. Maar dat was geen reden om niet ongelukkig verliefd te worden op één van hen.
Ik herinner me dat ik in de vijfde klas naast hem zat en zijn handen complimenteerde.
In de achtste klas zat ik op de bagagedrager van zijn fiets en hield ik zijn middel vast – alsof ik dat moest doen om niet te vallen.
…Ik herinner me hoe goed Fahrenheit op hem rook – en hoe ik, telkens wanneer de reclame op tv kwam, aan hem moest denken. Toen Dior in 1988 de mannengeur Fahrenheit lanceerde, werden er sterke beelden en scherpe slogans gebruikt in de promotie: L’homme infiniment (‘de oneindige man’) en ‘What never ends, begins her’. Ridley Scott regisseerde de reclame van dertig seconden: een man loopt over een pier die de zee in lijkt te voeren. Maar wanneer hij het einde bereikt, kijkt hij uit over een eindeloze woestijn – alsof hij aan de rand van de wereld is gekomen.
Met Urnische liefde in Constantinopel wordt het laatste hoofdstuk Ara sprei geopend van Ulrichs’ serie Onderzoek naar het raadsel van de liefde tussen mannen. Ulrichs publiceerde zijn vroege teksten onder het pseudoniem Numa Numantius, een schuilnaam die zowel een schild als een intentieverklaring was. De naam verbindt de wijze wetgever Numa Pompilius met de weerbarstige stad Numantia – allebei symbolen voor Ulrichs’ streven om een nieuwe ethiek van de liefde te stichten en weerstand te bieden aan de heersende moraal. Vanuit die morele visie richt Ulrichs zijn blik naar het Oosten, waar hij een andere basis voor liefde en vrijheid verbeeldt.
Ara spei betekent Altaar van Hoop. Ulrichs vindt hoop in het idee dat man–man-liefde – in Europa door kerk en staat verguisd als ‘onnatuurlijk’ – in Constantinopel een normaal en geaccepteerd deel van het sociale leven vormt: wijdverspreid, geïntegreerd en niet gemeden. Niet alleen de Oude Wereld, maar ook de blik naar het Ottomaanse Rijk zorgt in Ulrichs’ tijd voor een ruimte waarin utopieën van gelijkgeslachtelijke liefde denkbaar en leefbaar worden. Constantinopel wordt een oord van verlangen. De “Turkse man” wordt een projectie voor homoseksueel verlangen: een mengsel van exotisering, othering en fetisjisering.
Graffiti I. Op zijn zeventiende verjaardag spoot ik F-17 op de muur in de Falkenstraße, vlak naast de werkplaats waar hij tot automonteur werd opgeleid. Het was bedoeld zodat hij het elke dag zou zien – zodat hij zou weten dat hij bewonderd werd. De letters waren voor hem, maar ook voor iedereen die voorbijliep. Tegelijkertijd probeerde ik veel te verbergen. Ik kon hem niet zeggen dat ik homo was – hoewel ik al sinds de basisschool Schwuli (flikker) werd genoemd. Ik wist dat, als ik het ooit hardop zou zeggen, alles in één klap voorbij zou zijn.
Son bir defa göreyim
Uğruna can vereyim
Kollarında öleyim
Başka bir şey istemem
(Laat me je nog één keer zien,
laat me mijn leven voor je geven.
Laat me sterven in jouw armen –
meer verlang ik niet.)
(Zeki Müren – Kollarında Öleyim)
Ulrichs verliet Duitsland in 1880 en vestigde zich in Italië, waar hij tot zijn dood in 1895 bleef. Voor andere prominente figuren werd het Ottomaanse Rijk een belangrijke bestemming. Steeds opnieuw reisden mannen erheen op zoek naar man–man-liefde, en in hun verlangen werden ze zelf “Turken”.2 Onder hen was Pierre Loti, een Franse marineofficier en vurige turkofiel die van 1876 tot 1877 in het rijk diende. In Aziyadé (1879), zijn briefroman, vertelt Loti een autofictief liefdesverhaal tegen de achtergrond van het verval van de Ottomaanse wereld. Schrijvers als André Gide en Jean Cocteau lazen de verboden liefde met de jonge haremvrouw Aziyadé als een gecodeerd homoseksueel verhaal.
De protagonist verandert in een Ottomaanse heer, neemt de Turkse naam Arif-Effendi aan en eigent zich Ottomaanse kleding, manieren en taal toe. Later richt Loti in zijn ouderlijk huis in Rochefort een ‘Turkse Kamer’ in. Op een zwart-witfoto zit hij in het midden, in Ottomaanse dracht, rustig op een sofa, starend in de verte. Rechts van hem bereid een andere man, eveneens in kostuum, een waterpijp voor; zijn gezicht vervaagd door beweging. In die weelderige kostuums van gisteren wordt Loti een levend figuur uit een Oriëntalistisch schilderij. Voor zijn dood vernietigt hij elke duidelijke aanwijzing van zijn homoseksuele neigingen; zijn zoon zuivert het archief verder van enige sporen.
Graffiti II. Als tiener cruistte ik in het Ihme-Zentrum in Hannover, om de hoek van de Falkenstraße. Ik wist dat mijn liefde niet zou ontluiken in een vriendenkring, zoals bij mijn maten. Ik zocht ontmoetingen op plekken waar mensen zo kort mogelijk bleven. Daar hoopte ik iemand te ontmoeten zoals F. Ik dwaalde door de warenhuistoiletten van het Ihme-Zentrum, keek door kleine gaatjes in de dunne wanden van de hokjes en wachtte op een wonder. De muren stonden vol graffiti, sommige als contactadvertenties: “Ik ben hier op …, om … uur, op zoek naar …” Soms stonden er telefoonnummers bij. Sommigen zochten specifiek naar een Turk. Ook ik zocht een Turk, maar ik kon niet hún Turk zijn. Op sommige toiletmuren stond ook: “Turken eruit.”
Britse schrijvers, wetenschappers en diplomaten als Henry Blount, Paul Rycaut, John Covel, Lord Byron, Richard Francis Burton en de Amerikaanse dichter Bayard Taylor reisden allemaal naar het Ottomaanse Rijk om te worden wat ze wilden.
1 Een effendi was een ontwikkelde, beschaafde man uit de stedelijke middenklasse in het Ottomaanse Rijk – een titel die stond voor geleerdheid en waardigheid.
2 Britse schrijvers, wetenschappers en diplomaten als Henry Blount, Paul Rycaut, John Covel, Lord Byron, Richard Francis Burton en de Amerikaanse dichter Bayard Taylor reisden allemaal naar het Ottomaanse Rijk om te worden wat ze wilden.
